De
definitie van kaapvaart = het met commissie op buit varen in tijd van oorlog
(door de overheid toegestane piraterij).
Een kaper kreeg een kapersbrief (= een vergunning) mee, waarin precies stond beschreven wat en wie
hij mocht aanvallen. Zo'n brief werd uitgegeven in ruil voor een deel van de
winst. Een kapersbrief werd erkend en
dit betekende dat een kaper niet kon worden aangeklaagd
wegens piraterij (dit was helaas niet altijd genoeg om hem
te redden van de galg). Een gevangengenomen kaper moest
officieel als een krijgsgevangene behandeld worden, een piraat werd vaak gewoon
overboord gezet. Iemand die op kaapvaart ging, nam dus grote
risico's.
Niet iedereen kon zomaar een kapersbrief uitgeven; in
eerste instantie
mocht alleen een soeverein (heerser) dit doen, dus bijvoorbeeld Koning Philips II. *
Officieel deed
Willem van Oranje dit, niet omdat hij stadhouder van Holland en Zeeland was,
maar omdat hij soeverein was van het Prinsdom Oranje
in Zuid-Frankrijk.
* Op gezag van Willem van Oranje schreef Lodewijk van Nassau
op 20 februari 1570 de eerste Nederlandse kaapvaartbrief uit aan Diederik van
Sonoy (dit werd ook wel commissie-, kaper-, bestel- of octrooibrief
genoemd, in het Frans Letter de Marque).
* De
West-Indische Compagnie kon een admiraal van een vloot een kapersbrief geven
die hem de
toestemming gaf de
schepen van de vijand te kapen. Aangezien toen de
tachtigjarige oorlog met Spanje nog bezig was, was dit een uitstekend
middel om de Spanjaarden te bestrijden (helaas was het duur
en weinig succesvol; alleen de verovering van de Spaanse Zilvervloot
door Admiraal Piet Heyn in 1628 was een groot succes. Dit leeft nog steeds voort
in ons geheugen).
In 1856 schortten 7 landen het gebruik van
de kapersbrief op; Engeland en de Verenigde Staten wilden
het recht echter behouden. Deze onderschreven pas veel
later. Zie
de tekst.
|